Apenheul met pokken.

Kinderen. Ik had nooit durven dromen hoe volledig en compleet ik me zou voelen met kinderen. 2 dochters… wat een zegen 🙂 <3. Het is uiteraard niet alleen rozengeur en maneschijn. En ja; zo is het per slot van rekening met niks (of juist met alles?). Maar de balans opmakend kan ik alleen maar tot de conclusie komen dat ik mijn prachtige kids niet meer zou kunnen & willen missen =). They complete me.

Er is echter 1 ding waar ik, zo heel af en toe, maar niet aan kan wennen. En nee, dat is niet nachten-lang wakker zijn als de volgende tand of kies zich weer aankondigt. Of een onder gescheten rug tot aan kruin aan toe. Of iedere maandag weer in dat met chloor-bedwelmde 30-graden-zwemhok te zitten. Of je kind onder de luieruitslag verzorgen. Kijk, niet dat de genoemde voorbeelden mijn favoriete bezigheden zijn, maar ik stoor me er absoluut niet aan. Some things just happen and/or need to be done als je kindjes hebt. Maar hetgeen waar ik nog steeds (letterlijk) over kan vallen, is wat voor een PUINHOOP kinderen van je huis kunnen maken! ^^ -.-

Als we ’s morgens het huis verlaten is het opgeruimd. Aanrecht is leeg (op het ontbijtservies na) en de boel is aan kant. The way I like it! Wanneer we aan het einde van de dag  terug thuis keren van werk, school, kinderdagverblijf, etc….dan duurt het welgeteld 10 minuten of “de Apenheul” is weer geopend. Binnen no-time ligt het speelgoed overal, tot onder de box, onder én op dressoir, tafels, banken, de tijdschriften en boekjes zijn verspreid over de grond, tot in keuken en toilet en na het eten hangen de spaghetti-slierten aan het tv-meubel (daadwerkelijk een keer gebeurd!).

Ik heb ook wel eens het angstaanjagende idee dat dat alleen maar bij ons is. Wanneer de kindjes lekker op bed liggen, dat ik dan de enige moeder ben die beneden komt en denkt: ‘Oh-mijn-god! Wat is dít?’. Dat je door je eigen woonkamer heen moet schuifelen omdat je anders je nekt breekt. En ondanks dat je moe bent en eigenlijk wil relaxen, toch oh-zo-veel-plezier beleeft aan het weer opruimen van de vuilnisbelt. En dan daarna toch nog even een stofzuigje, snel dan, anders worden de kindjes dalijk weer wakker. En ook nog even stoffen, als we dan toch bezig zijn. Dan de afwas, de was, de strijk. Alles weer op orde. En dan tegen 10 uur gesloopt op je eigen bankie ploffen en vol tevredenheid rond kijken en denken: I did it again!!!!! Ik heb weer een aanval Apenheul overleefd.

Nou en dat is dus het enige wat eigenlijk nooit went: dat dweilen met de kraan open in je eigen huis. Ook als je een vrije dag hebt dus; dat je dan de godganse dag het speelgoed aan het opruimen bent. Ik doe dat overigens niet altijd hoor, want waar begin je aan! Ik laat het dus ook wel eens liggen gaande zo’n dag, de boel de boel laten, onder het mom van: ‘ik erger me er niet aan, ik erger me er niet aan…. ik erger me er… WEL AAN!!!! AAAAAHHHH’. En dan als een losgeslagen hond door je huis racen rond het middaguur. En wanneer je het (voorlopig) laatste speelgoed om half 1 op een zaterdagmiddag tijdelijk opgeruimd lijkt te hebben, zie je vervolgens dat de jongste telg het schone wasgoed vanuit de wasmachine in de hond z’n slaapdeken rolt…. -.-

Als klapper op de vuurpijl schoof Carmen haar trui en hemd gisteren omhoog en zagen we dat ze onder de rode vlekken en blaasjes zat…. Hmmz, dat was dus geen muggenbult de avond daarvoor in haar nek…..

Apenheul met pokken. Weer wat nieuws! 😉

Advertenties

Moeder Theresa.

Sinds het halen van mijn rijbewijs zit ik heel weinig meer in de bus of de trein. Gewoon omdat het veel handiger is om je autootje te pakken, zéker met 2 kids. Ik heb het behalen van mijn rijbewijs vanaf mijn 18e een lange tijd kunnen uitstellen, maar toen ik 23 was en zwanger werd van Carmen realiseerde ik me ineens: ‘uhm… dus straks ga je met je kinderwagen de bus in, met huilend kind en luiertas en al??!!’. Angstige visioenen van klemzittende buggy-wielen en omver vallende baby’s vielen mij ten delen. Nee, ik kon het niet meer vooruit schuiven. Het móest gehaald worden. Carmen werd geboren en een maand later begon ik met een snel-cursus auto rijden. Op 2,5 week haalde ik mijn theorie en mijn praktijk-examen. Zo, in de pocket. Alweer bijna 6 jaar geleden!

Uiteraard vind ik het heerlijk, alleen wat wél jammer is aan het niet meer (of aanzienlijk minder) met het OV gaan is dat je de mooie mensen met hun nog mooiere verhalen mist. In de auto hoor en zie je niks. Je zet hooguit de radio aan, maar verder zilch; je rijdt auto, kijkt naar de weg, gaat van a naar b en dat was het. In het openbaar vervoer is het nooit saai. Je komt mensen van allerlei rangen en standen tegen en dat allemaal met hun eigen rugzak. Fantastisch! En ja; dat mis je in je auto gewoon.

Heel af en toe gun ik mezelf tóch nog die bus en die trein. Zo ook vorige week, richting Rotterdam. Als ik met vriendinnetjes elders in het land afspreek, kom ik meestal met het OV. Het is makkelijk maak ik er dan van; geen gezeur met de weg te vinden, ’n parkeerplaats te veroveren, of zorgen voor genoeg parkeergeld! Én… ik mag weer eens in de trein (de daadwerkelijke reden ;-)). Joepie!

Ik zette mij op een leeg 2-persoonsbankje. Ik keek schuin vooruit en zag daar een vrouw, ik schat half de 30, met een kinderwagen. Gelijk medelijden mijnerzijds: ocherme… dat gesjouw! Met baby, wagen, luiers,… pffffff! Tegenover haar een, hooguit 17-jarig knulletje. Ik was van plan mijn muziek te beluisteren maar besloot even te genieten van de trein-stilte. En zo ving ik tijdens die stilte hun gesprek op, tussen deze half de 30-jarige vrouw (ik zal haar Bep noemen) en dit 17-jarig knulletje (Kuifje). Ze kregen het op een gegeven moment over een vrouw (die noem ik Sara). “Och” zei Bep… “Sara is de allerliefste vrouw die je je kunt bedenken. Echt… die is zó zacht, zo goedaardig, da’s ongelooflijk! Echt hoor! Een hart op de juiste plaats en een goed woord voor iedereen. Die doet nou eens écht geen vlieg kwaad”. Kuifje beaamde dit. Nou nou, dacht ik bij mezelf, dit moet over een soort moeder Theresa gaan, fantastisch, subliem, ze bestaan nog! Ik zag deze Sara voor me als een vrouw van half de 50. Helaas weduwe maar genoeg kinderen en kleinkinderen om zich alsnog gelukkig te prijzen. Een vrouw die nog altijd hard full-time werkt op de kinderopvang, maar zich daarbuiten inzet voor het Leger des Heils en de kerk. Zo’n vrouw had ik inmiddels voor me, opmakend uit hun gesprek.

Maar toen zei Bep ineens:

“Ja…. maar als ze je niet mag, dan laat ze het je weten ook!”. Oeh dacht ik… moeder Theresa Sara heeft ook een andere kant!

“Nee dat klopt, als ze niet aan je kant staat en ze mag je niet, dan zegt ze ook gewoon recht in je gezicht: ik vind je een kutwijf!!!!” zei Kuifje. (En hij vond het noodzakelijk om 1 van deze woorden extra te benadrukken.)

Uhm….. ?! Ik werd van de wijs gebracht! Mijn mooie moeder Theresa-beeld werd troebel….. Nee, niet weg gaan!!!! Ze bestonden toch nog? Help!

Het werd alleen maar erger:

“Ja absoluut, en flik haar niks want ze wacht je op! En dan slaat ze je echt lam!” antwoordde Bep tegen Kuifje.

Ttttt…. *zucht*.

Maar Bep sloot nog wel af met: “Maar verder hè , verder is ze zó lief!

Ik zocht snel het head-setje voor m’n iPhone.

Stelletje eikels.

Feitelijk onverklaarbaar.

35028_10151868502953345_1662279428_n

Ja! Gisteren waren de Backstreet Boys 20 jaar bij elkaar en mijn (BSB-)vriendinnen & ik kwamen samen om dit te vieren. Zodoende dat ik op deze blog kom…. Bij deze ga ik nog 1 poging wagen! 1 poging om uit te leggen, of eigenlijk meer; te vertellen hoe het is om een fan te zijn en dat te beleven. Het waarom en hoe dat gaat! En dat maakt dit verhaal dus met name bedoeld voor mensen die géén fan zijn, hoewel het met alle waarschijnlijkheid voornamelijk gelezen zal gaan worden door mensen die dat wél zijn ;-).

Waarom wordt/is iemand een fan en gaat het alleen om de betreffende groep en hun muziek of omvat het veel meer dan dat?

323375

Poeh! Ik probeer m’n blogs altijd tussen de 500 en de 600 woorden te houden (of minder zelfs) maar ik denk, nee: ik weet zeker dat dat nu niet gaat lukken. Ik zal mijn blog dan ook in stukjes verdelen. Dit omdat het anders een warboel wordt; als ik mijn emoties wat dit betreft via mijn pen de vrije loop geef, zijn we straks 4000 woorden verder en hoewel het voor andere fans dan alsnog prima te volgen zal zijn, zal een niet-fan na de 10e regel afhaken.

Het begin

Ik was 12 jaar en fietste met een vriendinnetje naar school (in 1995). Ze had haar walkman mee met een cassettebandje waar een nummer op stond van een band, genaamd: de Backstreet Boys. “Moet je eens luisteren” zei ze. Oh het klonk wel aardig, maar verder geen extra aandacht aan besteed. Kort daarna zag ik een clip. Hey, dat nummer herken ik, dat is toch van die ene groep? Het was “We’ve got it going on”, hun eerste echte nummer, waar ze mee doorbraken. Wat een leukerds ook eigenlijk die daar door het beeld flitsten!

Toen begon het. Ik weet niet goed meer precies hoe, waar en wanneer, maar ik had het te pakken. Het fanschap-proces begon. Ik móest ieder tijdschrift ineens kopen waar ze in stonden, al was het een plaatje van 2 bij 2 cm en al was dit in een Duits tijdschrift waar ik geen snars van begreep, zoals bijvoorbeeld de “Bravo”. Ik moest iedere singel hebben, liefst nog in meerdere uitgaven. Ieder album, liefst 2 x, want stel je voor dat er een kras op komt en hij uitverkocht is bij de Free Record shop! In mei 1996 kwamen ze naar Nederland en deden een rondvaart in de Amsterdamse grachten. OMG, ik wilde zó graag gaan. Maar ik mocht niet. Ik was woest en heb huilend bij de tv gezeten. Gelukkig kwam daar dan toch het moment: de eerste keer dat ik ze live mocht gaan zien, tijdens het Now Summer Dance-festival in Rotterdam: 13 juli 1996. Ik ging met 3 vriendinnen én mijn vader. We stonden vrijwel helemaal achteraan en ik zag ze als speldjes in de verte van links naar rechts schieten, maar het maakte me niet uit! Ik zag ze! Live! Nadat ze van het podium af waren en de volgende artiest aan het optreden was, bemerkte ik op dat ik me niet zo lekker voelde (waarschijnlijk werd de adrenaline-stoot me net iets te veel) en liet m’n pa en m’n vriendinnen weten dat ik heel even naar de wc ging, rondje ging lopen en/of wat water ging halen. Dit was prima, zij zouden blijven op de plek waar we stonden, aan de zijkant. Omdat ik daadwerkelijk naar de wc wilde en geen intentie had om backstage o.i.d. te sneaken, liep ik naar de zijkant van de kuip (waar dit alles zich afspeelde). Er was mij verteld dat daar een ehbo post was, mét wc’s. Toen ik daar aan kwam liep ik een bodyguard tegen het lijf die mij, volledig uit het niets, héél duidelijk maakte: “You can NOT go thát way” en hij liep weer verder. Uhm… wat?! Dus ik mag die kant op, die kant en die kant, maar NIET die kant. Hmmz. Interessant. En toen begon het. Kriebels. Feitelijk onverklaarbare drang. Waarom mag ik die kant niet op? Waarom loopt hij weg bij een fan die hij net uit het niets de les heeft staan lezen over welke kant ze níet op mag gaan. Een fan die oprecht op weg was naar de wc’s, de ehbo en het water! Weird! Uiteraard was het idee van plassen, ehbo en water vervolgens helemaal van de baan en liep ik de kant op, die ik niet op mocht gaan. Hey listen; the bodyguard started this!

Dit resulteerde in mijn allereerste ontmoeting met Nick. Hij 16, ik (toen inmiddels) 13. Jeetje, zo puberaal, maar ik krijg er nog altijd kriebels van in m’n buik als ik terug denk aan die dag. We zijn inmiddels een aantal dergelijke verhalen, concerten, avonturen en Backstreet-marathon-ontmoetingen verder, maar die eerste keer vergeet je écht nooit meer (and I’m fully aware how crazy this may sound).

Het vervolg

Ja en toen was het hek van de dam. 11 december 1996 was mijn 2e concert wat ik van ze bezocht en het eerste concert zonder ouderlijke begeleiding ;-). En op den duur maak je daar alleen maar meer vriendinnen, krijgt een strategie in het ontdekken waar ze zijn, krijgt steeds meer respect voor ze als artiest, maar kijkt ook verder dan alleen hun talent. Je gaat dingen van ze weten, begrijpen, dingen van hun familie, hun huisdieren, hun passies buitenom muziek maken, etc. etc.! In het begin zie je ze alleen als muzikanten op een podium. In het begin hadden ze voor mijn gevoel ook geen leven daarbuiten, ze stonden alleen maar op een podium en dat was het. Gaande de weg besef je dat dit natuurlijk onzin is.

En het duurt niet lang, voordat ze een oprecht onderdeel van je leven worden en zijn. Niet op een enge manier, maar juist op een hele leuke manier. Je gaat merken dat in wat voor situatie je ook zit: je kunt altijd bij ze “terecht”. In hun muziek vind je troost, blijdschap, herkenning. In hun muziek zit jóuw gevoel. En na een aantal jaren besef je dat je je zelf tot de “die-hards” mag beschouwen. Een fan die er overal en altijd probeert bij te zijn, wat binnen haar macht en budget ligt. Die het er over heeft gespaard geld volledig te spenderen aan de band. Die het niet alleen bij Nederland houdt om ze te zien, maar met slaapzak en rugzak in de trein stapt en het gerust ver in België en Duitsland zoekt en op latere leeftijd zijn ook landen als Zweden, Spanje, Engeland en zelfs Amerika en de Bahama’s niet te ver weg om de idolen te zien.

1e rij

De eerste keer dat ik 1e rij stond bij de Backstreet Boys was 7 februari 1997 in Brussel (I’m a sucker for dates!). Dit terwijl we er pas hartstikke laat waren (het blijven slapen voor de concertzalen volgde voor mij in 1998 pas). We moesten allemaal eerst naar school die dag en we waren om 10 over 2 pas uit. Mijn paps bracht ons naar Brussel en eenmaal bij de concertzaal voegden we ons bij een hekje buiten voor de deuren, waar gek genoeg nog niemand stond. Er werd ons door andere fans toe gegild: “Dat hek gaat niet open hoor, jullie moeten achteraan aan sluiten”. Ik zocht oogcontact met 1 van de bodyguards en hij gaf mij stilzwijgend een teken met z’n gezicht waaruit bleek: ‘Ga gerust maar hier zitten vrouwke, dat hekje gaat straks gewoon open’. We vertrouwden dit en ondanks de waarschuwingen van de meiden zijn we daar toch gaan zitten en vele volgden ons voorbeeld. En ja, het is vreselijk voor degene die er al wel een dag zaten, maar uiteindelijk…. ging ons hekje als 1 van de eerste open! Wow, dat gevoel!!!!! Onbeschrijfelijk! We negeerden het gekrijs van de andere rijen die boos waren dat óns hekje toch open ging en we renden naar binnen. Dat was in een tijd dat je daadwerkelijk nog naar binnen mócht rennen, in plaats van angstvallig tegen gehouden te worden door security die roept: “Niet rennen, niet rennen, niet rennen”. Nee, in 1997 mocht je nog hollend naar je plek. And we did. Ik vloog naar het hek en botste, net onder de borst-streek, tegen het koude ijzer aan. Een tafereel wat ik nog een héle hoop keren daarna heb mogen beleven. Eenmaal vooraan, is eigenlijk nooit meer echt genoegen nemen met een plek verder in de zaal :-P.

En als je dan eenmaal 1e rij staat, dan voel je je zó machtig. Eerst ga je met z’n allen nog zitten om te wachten, met je rug tegen het hek aan. De deuren gaan meestal rond 6 uur open een aangezien het voorprogramma vaak niet vóór 8 uur begint, zul je het nog even 2 uur moeten uitzingen. Liefst zittend dus. Maar al gauw voel je je onveilig. Je ziet duizenden meiden als gek-geworden-stieren op je afkomen. Het lijkt armageddon wel! Maar het gebeurt ook wel eens dat het wél goed gaat, en dat het eerste vak vanaf rij 1 tot aan de laatste rij, netjes gaat zitten. Vervolgens laat iemand een scheet om half 7 en breekt de pleuris alsnog uit. Iedereen gaat hysterisch staan en je staat dan nog 1,5 uur hijgend-hutje-mutje totdat de show begint! En da’s leuk joh, als het meisje achter je broodje-kebab-knoflook heeft gegeten vlak voor het naar binnen gaan en zich al 24 uur niet heeft gewassen. Jaaaah, het gaat niet áltijd over rozen ;-).

Hoe dan ook: als je op de 1e rij staat tijdens een concert van jóuw band, dan is alles op dat moment perfect. Er zijn geen wereldoorlogen, geen honger, geen armoede, en ook geen persoonlijke problemen…. op dat moment is alles volledig en subliem. En ineens gaat het licht uit. Niet in je hoofd, maar in de zaal. Kriebel in je buik. De eerste tonen beginnen. Licht-spektakels, vuurwerk en net als bij een orgasme wordt de spanning sterker…. En jawel: daar zijn ze. Vervolgens is het 1,5 of 2 uur complete FUN!!!!

31530_1483342212185_4671455_n

20 jaar verder

Het is uniek dat een boyband 20 jaar later nog steeds bij elkaar is. Nog steeds wereldtours doet. Nog steeds platen verkoopt en waarvan de meeste fans nog altijd dezelfde zijn als van toen in het begin, alleen dan ook 20 jaar ouder (ja dat hoort er bij ;-)). Maar vergis je niet: er komen nog altijd nieuwe fans bij. Zelfs fans die momenteel nog onder de 20 jaar zijn. Fans die dus nog niet geboren waren toen zij begonnen. Ja mensen…. vergis u niet! Het is heus en het is waar!

Stelling

Om antwoord te geven op de eerder genoemde stelling: waarom wordt/is iemand fan? Ik hoop dat met bovenstaand verhaal enigszins te hebben verteld. Dan nog zal het waarschijnlijk een abracadabra-verhaal zijn voor iemand die geen fan is. Op de vraag of het alleen om de band en hun muziek gaat: absoluut niet. Sterker nog: als je in je eentje fan zou zijn en de halve wereld zou rond touren: dat zou heus wel leuk zijn, maar niet leuk genoeg als je niemand hebt om het mee te delen. Ik heb ooit onderstaande tekst samen gesteld en ik denk dat het precies weergeeft hoe het is:

“Being a fan is not just about the band… it’s also about the friends you meet, the countries you see, the long road-trips, the laughs, the tears, the drinks, the parties, the hotels, the talks, the photo’s, the bloody complete package!!! When you’re on tour, the only concern you have, is where are the boys and where are we going to eat that day. Standing front row, there are no world- or personal troubles, it’s just about standig front row at the concert of your favourite band. And that is great! So in fact, being a fan, is not even just about being a fan… it’s a way of life! *@MissEvelineGirl* “

A way of life. En ik zou niet anders willen!

562959_398241773529820_884954342_n

Conclusie

Nu ruim 1900 woorden verder, zal ik nog steeds geen sense maken voor de niet-fan. En weet je wat lieve mensen…. we’re just gonna let that be…

It’s like my tattoo….

30775_483397601680903_79649926_n

Snerpend schuldgevoel.

Iedere moeder ervaart het wel eens: een keertje vitten op je kind terwijl het dat helemaal niet verdiend heeft. Dit had ik gisteren. De schoolfotograaf was bij de oudste dochter op school en tussen half 9 en 9 uur kreeg je de gelegenheid om de broers/zussen-foto’s te laten maken, indien gewenst. Ja, leuk! Maar ik zat op een schopstoel omdat ik om 9 uur eigenlijk wel achter m’n bureau op m’n werk hoor te zitten en vóór die tijd moet de jongste telg ook nog netjes en wel op het kinderdagverblijf zijn afgeleverd. Kortom: ik had niet veel speling. En aangezien ik vorige week met de ziekenhuis-ervaring van Lisa al genoeg verzuimd had op m’n werk, vond ik het niet gepast nu wéér een half of een heel uur te snipperen.

9 voor 9 vloog ik de met de buggy de school uit. Ik had Carmen binnen al een kus gegeven, vlak voordat ze zich bij haar spelende klasgenootjes op het schoolplein voegde. Ik haastte mij langs het schoolhek naar mijn auto, toen Carmen ons achterna kwam aan de andere kant van het hek… “Mama mama, kijk… oooooh mama, nog een knuffel,  kom, kom, knuffel!”. Maar ik had haast. En ik moest weg. En wel NU! En ik hoorde mezelf ineens snauwen: “Ttttt, Carmen, ik moet naar m’n WER-REKKKKK!”, met daar meteen op volgend, op een iets mildere toon en met een snelle zoen door het hek: “Maar je bent een grote lieverd, daaaaag”. En weg was ik. Rennend. Snel. Niet meer omkijkend. Met de buggy mee vliegend.

Ik geloof dat ik nog wel ademde tussendoor.

Al met al was ik slechts enkele minuten na 9 uur op ’t werk. Valt, gezien de krappe tijds-omstandigheden, nog niet tegen. Eenmaal goed en wel aan het werk begon er iets te knagen. Huh?! Wat is dit? Mieren? Muisjes? Ratten? Nee… schuldgevoel. Snerpend! Tergend! Ik had mijn dochter géén knuffel meer gegeven bij het schoolhek en ik had gesnauwd dat ik naar m’n werk moest. Hoe vreselijk!

Een hele dag heb ik er rot van op m’n werk gezeten, uitkijkend naar het moment dat ik Carmen weer in m’n armen kon sluiten en kon zeggen dat het me speet van vanmorgen. En het was druk op het werk, dus dat moment kwam snel dichtbij.

Nadat ik Lisa had opgehaald van het kinderdagverblijf reden we naar huis. Ik kon alléén nog maar denken aan dé grote knuffel die ik zo zou geven aan Carmen. Ik parkeerde voor het huis en ze zag door het raam de auto al. Ze deed de voordeur open en kwam aan racen. YES… hier issie: dé knuffel! En het sorry zeggen. Wat fijn! Meteen zei ik het dan ook: “Sorry van vanmorgen lieverd”. Met grote ogen keek ze me aan… “Huh, van vanmorgen?”. “Ja, toen bij het hek, dat ik geen knuffel meer gaf en snel naar het werk moest”… Carmen fronste haar wenkbrauwen en zei op z’n ‘spuitelfs’: “Uhm, wat bedoel je dan precies eigenlijk, als ik het wist?”.

Dussssss….. een hele dag slecht van gelopen en dochterlief keek me aan en had werkelijk géén idee waar ik het over had. Waarschijnlijk kreeg zij vanaf toen medelijden met míj en was andersom niet meer van toepassing.

Vervolgens zei ze bemoederend: “Kom maar mama-tje, we gaan Lisa uit de auto halen”.

Ze gaf nog net geen klopje op m’n rug, onder het mom van: ‘Aaah, die moeders anno 2013, die kunnen écht niks meer hebben’. 😉

Ultiem geluk.

Ultiem geluk. We streven het na. Het liefst bereiken we dit allemaal. Maar wat houdt dat dan eigenlijk in? Het hebben van alles waar je ooit van gedroomd hebt? Het kunnen kopen van alles? Alle doelen die je wilde bereiken, bereikt te hebben? Of heeft ultiem geluk daar niets mee van doen?

Is ultiem geluk een vaststaand fenomeen of is het flexibel en buigzaam?

Als je tiener bent, fladder je rond. Je staat niet stil bij of je nu ultiem gelukkig bent of niet. Dat is iets voor oude dozen om bij stil te staan (go figure ;-)). Je stelt jezelf wél al een bepaald beeld voor van hoe je hoopt dat je leven er uit zal gaan zien over 10, over 15 of over 20 jaar. Dan zie je jezelf getrouwd of juist niet, dan heb je in gedachte kindjes, of moet je er juist niet aan denken. Maar hoe dan ook: je creëert een beeld, bewust of onbewust. “Als ik 30 ben, dan wil ik bereikt hebben: punt a, punt b, etc.”. Gaande de weg groei je, leer je, doe je je dingen en als je dan eenmaal een bepaalde leeftijd bent, kijk je terug. Heb ik het ultieme geluk bereikt? Of is het hélemaal anders gelopen, maar…. nee: én, voelt het alsnog als ultiem gelukkig zijn?

Ik denk dat ultiem geluk buigzaam is. Het gaat niet over het alles hebben wat je hartje je begeert en dat dat dan puntsgewijs bij elkaar opgeteld hét ultieme geluk geeft. Het gaat over het hier en het nu. De eerste zonnestralen die door de lamellen heen vallen. De geur van koffie in de ochtend. Mijn dochters die schaterlachen. Een leeg aanrecht. De schone was ophangen waardoor de hele kamer extra fris gaat ruiken. Een knipoog krijgen. Een knipoog geven. Lachen om niks en dan werkelijk waar tot buikpijn aan toe. Dát is mijns inziens ultiem geluk. Flexibel. Buigzaam. Het heeft niks te maken met het hebben van alles wat je je ooit had voorgesteld. Niet met al je doelen bereikt te hebben. Sterker nog; geluk is onder andere te vinden, in het hebben van nog-te-beréiken doelen.

It keeps you going. It keeps you happy. It keeps you having the drive for life.

Ik las ergens bij iemand anders op de weblog de volgende tekst en vind ‘m erg mooi (de tekst komt oorspronkelijk van http://www.jouwbestejaar.nu)

“Ik ben gelukkig, ondanks dankzij alles.”

Je bent gelukkig als je geluk in het minste vindt.

Wat een geluk! 😉

Koningin plas.

Vanmiddag ging ik met mijn 2 dochters even naar het winkelcentrum. Het was voor de jongste telg de eerste keer dat ze weer eens fatsoenlijk buiten kwam na 4 dagen ziekenhuis en dus: goed inpakken in de buggy, ondanks het aan-lente-grenzende-weer. De oudste is 5 en terwijl ik dreumes Lisa warm aan het aankleden was, vroeg ik Carmen nog even naar de wc te gaan. Ik weet hoe dat gaat namelijk: je bent nog geen paar minuten van huis af, of ’t dametje moet plassen! Als moeder denk je dit dan voor te zijn.

Maar nee…. we waren nog geen 10 minuten weg en nog geen 5 minuten in de 1e winkel of mevrouw kondigde aan: “Kmoe plassuh!”. Nou ja, goed, kan gebeuren, maar als je luttele minuten daarvoor nog geweest bent, kan je blaas nooit op knappen staan. Maar mevrouwtje werd vervelend en begon een heuze drama-queen actie (heeft ze vast van haar vader :-P). En dit werd erger en erger. Allemaal nog in de 1e winkel! Huilend stond ze bij de kassa van de Scapino! Ik sprak haar streng toe: “Carmen, nou niet flauw doen, je bent nog geen 10 minuten geleden thuis geweest, dus het zal heus wel mee vallen”. Ze ging harder huilen, werd roder en mijn lontje werd korter. Ik hoorde mezelf ineens blaten: “Weet je wat Carmen, je plast maar in je…”, ik wilde broek zeggen, maar die had ze niet aan en dus maakte ik mijn zin met “rok” af.

Om ons heen werd dit tafereel aanschouwd en ik ben er van overtuigd dat bij sommige de term “ontaarde moeder” door het hoofd flitsten. Het interesseerde me geen drol. Als het moet: plast ze maar in d’r rok.

Het personeel achter de kassa keek ook bedenkelijk. Maar niet omdat ze vonden dat ik een ontaarde moeder was. Wel omdat ze in gedachte grote gele kringen in hun mooie tapijt zagen komen, gevolgd door een zure kinder-pies-lucht. En ja; die lucht verspreid zich dan natuurlijk razendsnel door de hele winkel. En dat op zaterdagmiddag! Dus!

We rekenden af en iedereen was blij dat wij het pand verlieten. Droog en wel.

Bij de Albert Heijn heeft koningin plas kunnen plassen.

Op de wc! 😉

Niets is wat het lijkt.

Als je kind ziek is, ben je zelf ook een beetje ziek. Of er in ieder geval ziek van! Onze jongste telg liep al een paar dagen met af en aan hoge koorts en gisteren was het ineens genoeg! Van de huisarts, naar de kinderarts, naar een nachtje ziekenhuis. En ondanks dat het allemaal goed gaat komen, werd 1 nachtje er 2 en zo zijn wij (als in: de jongste druif, met mij als chaperone) aan onze volgende ziekenhuisnacht begonnen.

Gisteravond wilde ze niet echt meteen gaan slapen en toen ze dit vervolgens wel deed was ze alsnog onrustig. Tegen 11 uur leek ze dan toch eindelijk de diepe slaap te vatten. Tegen 12en viel ook ik in slaap. Dit toch niet helemaal op m’n gemak in zo’n ziekenhuis, op de stretcher. Ik verwachtte een nacht, met om het uur wakker worden.

Op een gegeven moment schrok ik wakker. Wat rumoer op de gang. Nog wel donker buiten maar we waren zéker een paar uur verder inmiddels, zo’n 6 à 7 uur toch minimaal, concludeerde ik uit het niets. Zou dat al het ontbijt in aantocht zijn wat ik daar hoor? Dat werd een vreugde-dansje! En ik was blij; ik had het ziekenhuis-bezoekersbed getrotseerd, en een hele nacht geslapen! En nog beter; ons meisje ook! Wat goed! 🙂 Ondanks de gekke vreemde kamer, ondanks de niet-normale-algeheelheid, ondanks de ziekenhuis-lucht, ondanks het bezorgde moeder-oer-instinct; we hadden geslapen! Een hele nacht!

Ik rekte me uit om m’n mobiel te pakken. Klikte ‘m van z’n toetsenblokkering af. En zag in beeld:

01.15

Ah crap! 😉